De naaktslak indachtig

Het regent eindelijk, dacht de naaktslak opeens verheugd, terwijl hij zich tergend langzaam over de trottoirtegels voorsleepte en daarbij een onmiskenbaar duidelijk maar afgrijzenwekkend spoor naliet. De man verstond hem niet, of haar niet, mompelde wat, greep in zijn broekzak naar een tissue en pakte daarmee de naaktslak op om hem in een beweging in de nabij gelegen kliko te deponeren. Gelaten sprong hij daarna op zijn fiets om zich, zoals bijna elke morgen, naar zijn werk te begeven.

Daarbij mijmerde hij toch nog wat in zichzelf; had hij de naaktslak niet moeten doden? Deze zou immers nog een volle week onverrichterzake in de kliko moeten verblijven; volgende week brak namelijk pas het moment aan waarop de gemeentelijke diensten zich over de grijze kliko’s zouden ontfermen. Was deze handeling, het in leven laten maar tegelijk meedogenloos opsluiten van de naaktslak tussen zijn bloedeigen afval, niet een hogere vorm van dierenmishandeling dan wanneer hij de naaktslak meteen de nekslag had toegediend alvorens hem (of haar) weg te gooien?

De man schrijft ’s avonds zijn stukje en denkt daarbij aan de naaktslak, waarschijnlijk nog vol leven in die grijze bak, waarvan de inhoud er na een week warm weer waarschijnlijk toch al niet aangenamer op zou zijn geworden. Heel de dag had het geregend – na weken, eindelijk – en deze voor de naaktslag genoeglijke omstandigheden waren hem (of haar) ontzegd. Maar naar de kliko zou hij niet gaan, de voordeur had was al afgesloten. Wel naar bed, met een enigszins zwaar gemoed.