De profeet in de woestijn

In die dagen dwaalde de meester met zijn discipelen wekenlang door de woestijn. Er was niets dan zand en leegte. De vermoeidheid sloeg toe bij de discipelen, voor wie de tocht met de dag doellozer leek te worden. Aanvankelijk was er nog hoop, verwachting, een min of meer vastomlijnd idee over een route, een zekere bestemming, maar allengs maakten deze gedachten plaats voor gelatenheid en herhaling. Als iets wat leek, een belofte, de aanstaande vorming van een gedachte, het dwingende licht van een nieuw idee, steeds nam het snel een oneigenlijke vorm aan, verhardde en vervormde in de brandende zon, alles verbleekte op dezelfde manier en de dingen gingen steeds meer op elkaar lijken, echter wel zonder dat ze enige overeenkomst met wat dan ook vertoonden. Ook de moed om de meester aan te spreken, hem uitleg te vragen of verantwoording, werd een opgave die zich niet verder ontwikkelde, een korte beweging in de geest, om daarna een te worden met het wezenloze schurende geschuifel door het hete zand van de eindeloze vlakte.

Plots hield de meester halt, draaide zich om en keek de discipelen aan, voor het eerst, zo zij zich konden herinneren. Hij glimlachte schalks. ‘Als de droom en het leven onscheidbaar worden’, zei hij zacht, ‘dan heb je pas een probleem’. Op dat moment passeerde een hagedis, die zich met grote snelheid door het zand bewoog, een bliksemsnel lichaam, maar de meester wist hem met één beweging beet te pakken. Hij stak het dier in zijn mond, de gerimpelde bruine kop eerst en kauwde erop met een vreemde, gelukzalige blik in zijn ogen. Het krakende geluid deed de discipelen verstijven. Maar zie, weldra ging een zucht van verlichting door hen heen en het was alsof zij bevangen werden door een verzengende liefde.