Het manoir

In 2007 waren we zomers in Bretagne. Omdat we daar in het westen zowat waren weggeregend trokken we maar naar het zuiden. Elke vakantie komt het wel eens voor dat het wat minder goed lukt om een mooi plekje te vinden. De omgeving valt tegen of er is alleen maar zo’n saaie anwb-goedgekeurde camping met gemillimeterde perceelgrenzen en overdreven proper sanitair. Na een dag rijden en enkele minder geschikte locaties te hebben bekeken slaat de vermoeidheid dan toe. Ongeduld en irritatie liggen op de loer. Zou het nog wel lukken? Het wordt erg laat en we hebben eigenlijk alle opties al bekeken. Op dit soort momenten gebeurt er meestal iets vreemds. Ontevreden over het bezoek aan de camping in S. (drie sterren, veel te veel, kan nooit wat zijn), reden we chagrijnig door het dorp toen we opeens een versleten bordje ‘camping’ zagen hangen. De letters waren al bijna niet meer leesbaar. Vooruit dan maar. Wat er toen gebeurde tart elke beschrijving. We reden een heel lange oprijlaan in, over een hobbelig wegdek vol keien, geflankeerd door enorme hoge naaldbomen die bijna al het licht wegnamen. Het werd alleen maar donkerder en je kon niet zien waar we uit zouden komen. Enige tientallen meters verder aan de rechterkant zag je tussen de donkere bomen hier en daar een oude caravan staan. De meeste leken afgeleefd en onbewoond, slechts in een enkele brandde wat verlichting. Een donkere gestalte bewoog door het bos. Het was echt een beetje eng. Ik voelde me niet op mijn gemak, maar A. werd alleen maar vrolijker (een bekend patroon bij dit soort onverwachte situaties). Eindelijk reden we langs een oud roestig hek, dat was bevestigd aan een muurtje waar een geit op stond. Daarna doemde er een enorm spookkasteel op, dat er werkelijk zeer onheilspellend en vervallen uitzag. Op de kleine veldjes voor het gebouw zag je een enkele tent tussen de bomen.

Eigenlijk wilde ik weg, maar A. stond erop dat we bleven. We meldden ons bij de accueil, achter een krakende deur onder een grote toren. We hebben ons toen ingeschreven bij de eigenaar: monsieur Patrick. Dit 16e eeuwse manoir bleek een overblijfsel van de oude adel. Geld in oude stenen. M. Patrick was een vriendelijke, oude man die alleen maar een heel kleine ruimte in het enorme gebouw gebruikte. De campingvoorzieningen waren eenvoudig. Er was één stokoude wc en een zeer beperkte, primitieve wasgelegenheid. Op het veldje tussen de bomen liepen wat geiten en net daarachter bevond zich een imposant grafmonument waar de complete familie lag. Op M. Patrick na dan, voor wie de camping nu een schamele bijverdienste was. Een zware taak voor een oude heer om alles te onderhouden. Dat deed hij dan ook niet echt, al kreeg hij voor de meest noodzakelijke werkzaamheden hulp van een van bewoners uit de caravans. Dit bleek een zonderlinge man te zijn die er zijn vaste verblijfplaats van had gemaakt. Van een Belg, die hier al jaren kwam, hoorden wij dat hij in een ander leven zijn vrouw en kinderen in één keer was kwijtgeraakt bij een ernstig auto-ongeluk, waar hij zelf niet bij was. Een tankwagen op de snelweg die plotseling ontplofte. Nu sleet hij zijn dagen als kluizenaar in deze wonderlijke omgeving met de oude Patrick als zijn enige compaan. Regelmatig liep hij over de camping en observeerde met een weinig minzame blik de gasten. Groeten deed hij niet. Het manoir. Een wonderlijke plek uit een andere tijd. Nog nooit zoiets gezien.